Inmiddels is het (morgen) 21 jaar geleden dat ik wees werd. Vandaag publiceer ik een extra hoofdstuk uit de bundel Levenslang Leven. Over het uitstellen van het moment van onomkeerbaarheid.
"Na dit liedje is het echt voorbij."
De uitvaart van mijn moeder heb ik als een soort roes beleefd. Ik voelde me als een gast op een evenement ter ere van iemand anders. Alsof ik hier part noch deel aan had. Desondanks voelde ik me wel bezwaard met sporen uit het verleden van mijn moeders leven. Haar jongste zus zei: “Ik dacht, ik kom toch maar, want tja, het is toch je zus, hè. Dat doe je gewoon.” Alsof het een verdienste was. Sterker; alsof het een offer was dat ze kwam. En ik? Ik voelde me bezwaard dat zij eigenlijk niet had willen komen. Alsof dat door ons kwam. Alsof het onze schúld was.
De dominee maakte er het beste van. Hij vertelde een verhaal waar hij ongetwijfeld zijn best op had gedaan. Een verhaal dat ik me helaas niet kan herinneren. Ik merkte dat de vlinders door mijn buik stormden van nervositeit en dat ik dacht: “Moet ik nu iets zeggen? Moet ik nu iets gaan vertellen over mijn moeder? In deze zaal waar waarschijnlijk het merendeel van de mensen uit beleefdheid is gekomen? En wat dan? Dat men haar niet begreep? Dat zij hen niet begreep? Dat ze anders was, maar niet verkeerd? En wat als ze mij stom vinden als ik daar sta? Wat als…” De dominee vroeg of iemand anders nog iets wilde zeggen, bleef het dan ook angstvallig stil. Ook ik zweeg. Ik koos voor de stilte. Angst kan griezelig stil zijn.
De angst voor wat komen zou kwam op. Het leek op het uitstellen van het moment van onomkeerbaarheid. Ik herinner me dat ik dacht: “Als dit liedje voor bij is, dan is het écht voorbij.” En toen het bandje met Barbra Streisand klaar was met 'Somewhere': “Als haar kist de grond in gaat is, dan is het écht voorbij.” Toen dat zover was: “Als we weer thuis zijn is het écht voorbij.” Een week later: “De bloemen zijn verwelkt. Nu is het écht voorbij.” Hoe dan ook: het was voorbij. Dat was het natuurlijk al dagen. Mijn moeder had het leven al gelaten. Maar het uitstellen van dat moment geeft ruimte. Een vacuüm waarin eventjes niet verandert, waarin er geen keuzes gemaakt hoeven worden, waarin er even niets van je verwacht wordt. Waarin het okee is dat je even niet weet wat je moet doen. “Want wat als dit nu voorbij is? Dan is het echt voorbij. En wat dan? Wat moet ik dan doen?” De waarheid is: je weet niet wat komen gaat. Eén ding wist ik zeker: it wasn't going to be pretty.
De angst voor wat komen zou bleek gegrond. Ik wist dat we er niet goed op waren voorbereid, mijn zus en ik. Twee volstrekt verschillende karakters, verschillende manieren om verdriet te uiten, en niet van huis uit de gewoonte geleerd om verdriet te doseren. Het was alles of niets. Daarbij misten we ankers. Een dagelijkse routine. Vaste momenten op de dag. Ik had er erg behoefte aan. De behoeften liepen uiteen. Begrijpelijk, menselijk, verklaarbaar. Maar niet handig.
Handvat: bied ankers op de dag.
Als je iemand ziet zweven in zo'n vacuüm na het sterven van een dierbare, is het fijn als je een anker weet te bieden. Bied aanknopingspunten voor dagelijkse of wekelijkse routines. Al is het maar een kopje thee om vier uur iedere dag. Een wandeling met gesprekje door het bos. Iedere zaterdag een pan tomatensoep. Whatever. Kleine signalen van ritme en regelmaat die de rouwende er doorheen kunnen slepen. Want er zullen nieuwe routines ingesleten moeten raken. Gezonde gewoontes die nieuwe structuur en kracht geven. Daar kun jij deel van zijn.